In memoriam Francis Verdoodt

Op 23 december overleed in Den Olm Bonheidens ereburger Francis Verdoodt na een langdurige ziekte. Bonheiden nam met een beklijvende plechtigheid afscheid op 3 januari. Bonheidense toneel- en romanauteur Luc van Balberghe die Verdoodt meer dan een halve eeuw goed kende, schreef volgend In Memoriam.

Ik ga even heel ver terug in de tijd. Het magische jaar 1968 was nog niet aangebroken, maar wel in aantocht. Wie niet genoeg kon acteren om toneel te spelen, niet genoeg zangtalent had om zanger te worden, niet genoeg kon dansen voor ballet, maar toch van dat alles iéts kon, begon een cabaretgroepje. Toen schreven we cabaret met een k. Van Kleinkunst. Ze rezen als paddenstoelen uit de grond, die groepjes.

Op school had meester Francis Verdoodt en meester Pol Verreth van algemeen directeur Kan. Ir. Vermandere de beschikking gekregen over een lokaal dat ze omtoverden tot theaterzaaltje. Ze rekruteerden onder hun leerlingen voor zowel cabaret als toneel. Ze noemden deze buitenschoolse activiteit Poes-pas-kabaret en toneelgroep Opus.

In die jaren leerde ik goochelen bij wijlen Leopold Casteels, in het interbellum ‘de koning der goochelaars’. Francis Verdoodt gaf Nederlandse les. Hij was geen leraar, maar een inspirator. Zijn lessen bestonden niet uit het verklaren van grammaticale algoritmen, maar uit beziel(en)de voorbeelden. Geen inspecteur die dat kon goedkeuren, maar er was geen enkele die tegen de persoonlijkheid van Verdoodt opkon. Ik mocht meedoen, als goochelaar en tekstschrijver van sketches, in zijn cabaretgroep. Hij leerde me op een podium staan, bewegen, het publiek bespelen, mijn ademhaling beheersen, spreken in het openbaar.

Het was in november 1967 dat ik ‘m voor het eerst zelf op de planken zag staan. In de Mechelse stadsschouwburg speelde hij als lid van de ‘Koninklijke Vlaamse Toneelstrijders’ niet minder dan 5 rollen in ‘Sprookjes uit New York’ van J.P. Donleavy, geregisseerd door Eddy Van der Auwera. Zijn tegenspelers waren Jan Sergeyssels, Johan Cluytens en Lea Jaspers. Het was het begin van een vriendschap tussen Verdoodt en Sergeyssels, momenteel ook een dorpsgenoot, die meer dan 50 jaar zou duren.

Later werd Francis een BV avant-la-lettre. Een nieuwe, frissere nonkel Bob. In 1988 kreeg hij daarvoor ook de verdiende titel van doctor ludorum causa. ‘Dokter speelvogel’, zoals hij dat zelf relativeerde. De jongste generatie likte zijn prachtig uitgesproken woorden van het televisiescherm. Volwassenen luisterden ’s avonds in intieme zaaltjes naar zijn vertel- en voordrachtkunst, overal in Vlaanderen.

Ondertussen had hij samen met Jan Vanlangendonck en Kris Bouwen de ‘Mechelse Middagen van de Poëzie’ georganiseerd. De publieksbelangstelling was nooit erg groot, maar wel omgekeerd evenredig met de kwaliteit van het programma. Schrijvers en dichters uit noord en zuid kwamen op de eerste dinsdag van de maand naar Mechelen afgezakt. Francis kreeg de grote namen bij elkaar. Maar koken kost geld en dat paste hij vaak stiekem bij met een deel van zijn huishoudbudget. Op een dag spraken we over sponsoring. In mijn bedrijf had ik daar een budget voor. Niet groot, maar toch. Met plezier steunde ik zijn MMP. Louter financieel heeft me dit nooit een ROI opgeleverd, maar op menselijk-artistiek vlak is het een van de beste investeringen die ik ooit deed.

Door drukke beroepsbezigheden, Francis was ondertussen ook inspecteur Woord geworden in het kunstonderwijs, ontmoetten we elkaar daarna niet zo vaak meer. Toen het voor ons beiden professioneel iets rustiger werd, spraken we maandelijks af. We kletsten over het verleden en over wat we nog allemaal zouden kunnen doen. Francis zat altijd vol plannen.

Tot het noodlot toesloeg. Niet zoals een donderslag, maar zoals een smeerlap die elke dag een kleine roddel verspreidt. Zijn ziekte viel in het begin nauwelijks op. Stilaan begon ze hem te hinderen, op den duur beperkte ze hem helemaal. Dat betekende ook een beperking van zijn mobiliteit, zijn bewegingsvrijheid, zijn sociaal leven.

In die tijd haalde ik hem af en toe thuis op en reed ermee naar een etablissement buiten het dorp. Hij schaamde zich niet voor de verschijnselen van zijn ziekte, maar ik wilde hem indiscrete blikken besparen. En we kletsten nog altijd over vroeger en we maakten nog altijd plannen.

Gelijktijdig werd ook zijn vrouw door een smerige ziekte getroffen. Ze waren niet zelfredzaam meer en lieten zich opnemen in Den Olm. Ook daar dronken we nog geregeld een glas wijn en ‘vergaderden’ we over de initiatieven die nog mogelijk waren. We deden dat met vuur en overtuiging. Al wisten hij en ik dat ze nooit uitgevoerd zouden worden. Die tijd was voorbij. Tenzij, voorspelde hij, als er ooit beterschap zou optreden, dan ging hij terug naar ‘het huis’ – zijn woning aan de Nachtegalenlaan. Ook dat was maar een wensdroom, begrepen de vrienden die hem nog een bezoek brachten.

Francis droeg altijd een dikke, zwartleren map bij zich. Daarin stak zijn agenda en de nodige papieren voor de vergadering waar hij naartoe ging. Ook in het verzorgingstehuis, lag die map steeds binnen handbereik. Er waren weliswaar geen vergaderingen meer, maar “altijd duikt weer een dag op ver in de kalender, waarvoor het de moeite loont nog zolang te leven”.

Ja, er zullen zo nog veel dagen komen. En telkens er zo’n dag komt, zal Francis Verdoodt voor ons levendiger zijn dan ooit. We zullen zijn warme ogen zien glimlachen, zijn baardje zien bewegen, zijn spierwitte haren zien golven, zijn hemd uit zijn broek steken. We zullen discreet de pelletjes van zijn schouders vegen en naar zijn klinkende basstem luisteren.

En dankbaar zijn. Voor zoveel schoonheid die we met hem mochten delen.

© Luc van Balberghe

maandag 4 februari 2019 9.59 u.